Europese Commissie start wederom inbreukprocedure tegen Nederland

Op 15 december jl. berichtten we dat de Europese Commissie voornemens was een inbreukprocedure te starten tegen de Nederlandse Staat, aangezien de Commissie van mening is dat Nederlandse woningcorporaties ten onrechte niet als Aanbestedende diensten worden aangemerkt.

Nu blijkt dat de Commissie nóg een inbreukprocedure tegen Nederland heeft opgestart, ditmaal met betrekking tot de aankoop van defensiematerieel. In het persbericht van de Commissie valt te lezen dat zij gelijktijdig aanmaningsbrieven heeft gezonden aan Denemarken, Italië, Nederland, Polen en Portugal omdat zij de EU-regels inzake overheidsopdrachten op de defensie- en de veiligheidsmarkt niet of onjuist toepassen.

Zoals aangekondigd in het Europees defensieactieplan van november 2016 streeft de Commissie ernaar de voorwaarden voor een open en concurrerende Europese defensiemarkt te verbeteren om ondernemingen te helpen grensoverschrijdend zaken te doen en lidstaten te helpen de beste prijs-kwaliteitsverhouding te krijgen bij defensieaankopen.

Compensatieverplichtingen

In de gevallen van Nederland en Denemarken is de Commissie van mening dat beide landen bij de aankoop van defensiematerieel ongerechtvaardigde compensatieverplichtingen opleggen aan leveranciers die niet uit de betreffende lidstaat afkomstig zijn. Deze verplichtingen beperken het vrij verkeer van goederen en diensten en zijn daarom strijdig met het EU-Verdrag en de Aanbestedingsrichtlijnen.

Een voorbeeld van dergelijke compensatieverplichting is de verplichting om een deel van de opdracht in de betreffende lidstaat uit te voeren, of de verplichting om de opdracht uit te voeren met plaatselijke hulpmiddelen. Dergelijke beperkende maatregelen mogen uitsluitend worden gehanteerd wanneer het echt noodzakelijk is, het niet mogelijk is tot hetzelfde resultaat te komen met minder beperkende maatregelen en de maatregel geen negatief effect heeft op de mededinging op het gebied van niet-militaire producten.

En nu?

De Nederlandse Staat heeft nu twee maanden de tijd om inhoudelijk op de ingebrekestelling te reageren. Op basis van deze reactie stelt de Commissie een ‘met reden omkleed advies’ op, waarna Nederland wederom de mogelijkheid krijgt zich te verweren of te conformeren.

Als na deze fase de inbreuk niet is hersteld zal door de Commissie worden overgegaan tot de contentieuze fase. In dat geval zal zij de Nederlandse Staat dagen voor het Hof van Justitie van de EU, en is het aan dit Hof om de situatie te beslechten.

Verwachtingen?

Waar het in de in december 2017 gestarte inbreukprocedure inzake de woningcorporaties lijkt neer te komen op de principiële opvatting of dergelijke entiteiten wel of niet aanbestedingsplichtig zouden moeten zijn, lijkt deze procedure rechtlijniger.

Het is wat ons betreft evident dat de door de Commissie aangehaalde maatregelen een beperkende werking hebben op het vrij verkeer van goederen en diensten. Echter, zoals gesteld kunnen dit soort beperkende maatregelen onder omstandigheden gerechtvaardigd zijn. Het zal aan de Nederlandse (en Deense) Staat zijn om aan te tonen dat dit in de door de Commissie aangehaalde situaties het geval was.